skip to main content

Waterschap

Waterschappen zijn verantwoordelijk voor goede waterkwaliteit. Is de ecologische toestand goed, dan is er geen impact. Is die er wel, dan belemmeren één of meer drukfactoren de optimale waterkwaliteit. SFT2 helpt bij de vaststelling of chemische verontreiniging het behoud of herstel van een goede ecologische toestand belemmert.

Watersysteemanalyse

Een waterschap kan geconfronteerd worden met een verminderde ecologische toestand. Het doel van de watersysteemanalyse en de ecologische sleutelfactoren is het aandeel van de verschillende drukfactoren vast te stellen. De SFT2 helpt de rol van chemische verontreinigingen te bepalen. Het onderstaande plaatje laat zien welke factoer verantwoordelijk zijn voor het toepassen van kleurcodes. De figuur kan door waterbeheerders worden gemaakt om een diagnose uit te voeren, en om de resultaten van alle aspecten van de DPSIR-analyse als kaartbeeld samen te vatten. Hoe dat gaat wordt uitgelegd op de pagina over het afleiden en prioriteren van maatregelen.

Kaartbeeld, met DPSIR-resultaten

SFT2 en ecologische toestand

Als de ecologische toestand minder is dan ‘goed’ zijn waterbeheerders verplicht maatregelen te treffen die de effecten van drukfactoren tenietdoen. Elk mengsel van stoffen dat lokaal voorkomt kan daarbij belangrijk zijn. Dat is ingewikkeld, want in Europa zijn meer dan 170.000 stoffen op de markt. Het waterschap kan de drivers en pressures analyse van SFT2 inzetten en bepalen welke stoffen gemonitord moeten worden. De statusanalyse van SFT2 geeft aan in welke mate de stoffen de goede ecologische toestand belemmeren en wat de aanwezige complexe mengsels betekenen door het evalueren van effecten in bioassays. Daarbij maakt het waterschap gebruikt van eerdere watersysteemanalyses en bestaande monitoring-gegevens.

Praktijkstudies Waterschap

Praktijkstudie gewasbeschermingsmiddelen

De memo beschrijft het gebruik van de chemietool met de data van het Landelijk Meetnet Gewasbeschermingsmiddelen land- en tuinbouw (LM-GBM) en een in 2021 uitgevoerd onderzoek naar niet-toetsbare gewasbeschermingsmiddelen. De resultaten zijn vertaald naar de 5-kleurenindeling. De landelijke kaarten tonen meer toxische druk in de (glas)tuinbouwgebieden, de bollenstreek en de kustgebieden in Friesland en de kop van Noord-Holland. Het blijkt dat de niet-toetsbare stoffen een beperkte extra toxiciteit veroorzaken ten opzichte van de reguliere stoffen uit het LM-GBM. Daarbij moet wel worden vermeld dat juist voor de niet-toetsbare stoffen een aanzienlijk deel geen goede toxiciteitsdata beschikbaar zijn, waardoor ze niet konden worden meegerekend bij  de toxische druk van de stoffenmengsels.

Doorrekenen locaties met chemietool

In het onderstaande rapport is voor 3 praktijkstudies (Rijn-Oost, Waterschap Rivierenland en RIWA) gerekend met de nieuwe chemietool. Er is gekeken naar de gebruiksvriendelijkheid van de tool, het aantal stoffen dat wordt doorgerekend en de hoogte van de PAF en msPAF-waarden. Daarbij is voor twee praktijkstudies ook een vergelijking gemaakt met oude chemietool. Het overgrote deel (>90%) van de gemeten stoffen, ook in de drinkwaterdata van RIWA waarin veel stoffen worden gemeten, zitten in de nieuwe chemietool. Er is in de nieuwe chemietool echter een kwaliteitsoordeel aan de toxiciteitsinformatie gegeven, waarbij alleen kwaliteit A en B wordt meengenomen in de berekening van de msPAF. Dit betreft in de praktijkstudies ongeveer de helft van de stoffen. Er zijn duidelijk verschillen te zien tussen SFT1 en SFT2. Dit komt vooral door de verbeterde toxiciteitsinformatie.