skip to main content

Het DPSIR-model

Bij een watersysteemanalyse via het DPSIR-model verzamelt u gegevens uit eerdere watersysteemanalyses onder de Kaderrichtlijn Water. Daarna voert u een verdiepende analyse uit volgens het DPSIR-model. Gebruik daarvoor de instrumenten die van toepassing zijn. De analyse kan stoppen als u genoeg informatie heeft om maatregelen te nemen.

Integrale aanpak

Het DPSIR-model helpt om een vraag of probleem rond waterkwaliteitsbeheer op een integrale manier te benaderen. Het DPSIR-model bestaat uit de perspectieven: Driver, Pressure, Status, Impact en Response. Voor het model maakt het niet uit welk startpunt wordt gehanteerd. Het is belangrijk eerst te kijken naar de effecten (Impacts), omdat goede waterkwaliteit (geen Impacts) leidt tot maatregelen ter bescherming bij nieuwe economische activiteiten. Verminderde waterkwaliteit (wel Impacts) leidt tot herstelmaatregelen. Het DPSIR-model is zo opgezet dat u alle onderdelen (D-P-S en I) betrekt bij de afweging welke maatregel ( R ) u kiest.

De onderdelen van DPSIR:

  • Drivers bestaan uit de economische activiteiten in een gebied, zoals landgebruik.
  • Pressures zijn stoffen die via Drivers in het watersysteem terecht komen.
  • Status is de mate waarin het water vervuild is.
  • Impact is de mate waarin de status gevolgen heeft voor de ecologie en de waterkwaliteit.

De mogelijke tegenmaatregelen bepalen de Response. SFT2 stimuleert samenwerking van waterbeheerders en anderen om optimale maatregelen te kiezen. Immers: water stroomt, inclusief de stoffen die worden meegevoerd.

DPSIR toepassen

Het uitvoeren van een DPSIR-analyse verschilt per praktijkgeval. Soms zijn er al veel gegevens beschikbaar uit monitoring. In andere gevallen zijn er nieuwe bouwactiviteiten gepland, zoals een nieuw ingericht kassengebied dat zorgt voor extra emissie van stoffen. De waterbeheerder kan het best iteratief te werk gaan en steeds de vraag stellen: heb ik voldoende informatie om te bepalen welke maatregelen nodig zijn? Is er voldoende informatie voor maatregelen dan stopt DPSIR. Zo niet, dan helpt het model verdere informatie te verzamelen. De SFT2 is vooral een hulpmiddel bij het genereren van nieuwe informatie over de Status. Dat gebeurt vanouds onder de KRW via toetsing aan normen van afzonderlijke stoffen. Die toetsing leidt tot een indeling in twee klassen: 'voldoet’ of voldoet niet', waardoor in de praktijk bijna alle waterlichamen 'niet voldoen’. De SFT2 aanpak leidt tot een genuanceerder inzicht, in vijf klassen voor chemische verontreiniging. Dat levert een kaart van de toxische druk die voor waterbeheerders al is afgeleid uit bestaande monitoringdata (periode 2013-2018). Om goede maatregelen af te leden en te prioriteren worden bestaande kaarten aangevuld met nieuwe Status-analyses, met het Chemie-spoor of het Bioassay-spoor. Dat leidt tot verbeterde inzichten in het effect van stoffen en tot betere maatregelen.